Zinnen bouwen

C’est, ce sont en il y a

Wat leer je hier?

identificatie en aanwezigheid onderscheiden

Dit helpt vooraf

Dit helpt vooraf

Enkelvoud en meervoud

Uitleg

Afbakening

Deze reeks behandelt:

  • c’est om één persoon of zaak te identificeren;
  • ce sont om meerdere personen of zaken te identificeren;
  • il y a om te zeggen dat iets of iemand ergens aanwezig is;
  • de ontkennende vormen;
  • het lidwoord na de ontkenning.

C’est

Gebruik c’est om één persoon of zaak te identificeren of aan te wijzen.

  • Qui est-ce ? — C’est mon professeur.
  • Regarde ce bâtiment. C’est notre école.
  • C’est une bonne idée.

C’est kan ook vóór een bijvoeglijk naamwoord staan om een algemene reactie of beoordeling te geven:

  • C’est facile.
  • C’est intéressant.

Ce sont

Gebruik in de verzorgde schooltaal ce sont om meerdere personen of zaken te identificeren.

  • Qui sont ces personnes ? — Ce sont mes voisins.
  • Quels livres est-ce que tu choisis ? — Ce sont ces deux romans.

In informele spreektaal hoor je soms c’est mes amis. In deze oefeningen gebruiken we de schoolvorm ce sont mes amis.

Il y a

Gebruik il y a om te zeggen dat iets of iemand aanwezig is of zich ergens bevindt.

  • Il y a un livre sur la table.
  • Il y a trois élèves dans le couloir.
  • Dans mon sac, il y a une bouteille d’eau.

Il y a verandert niet bij een meervoud:

  • Il y a un problème.
  • Il y a deux problèmes.

Betekenisverschil

Vraag of situatie Antwoord
Wie of wat is dat? C’est mon vélo.
Wie of wat zijn dat? Ce sont mes affaires.
Wat is er op die plaats? Il y a un vélo devant la maison.

Vergelijk:

  • C’est un chat. → Dat is een kat.
  • Il y a un chat dans le jardin. → Er is een kat in de tuin.

Ontkenning

C’est en ce sont

In deze identificatiezinnen met être blijft het lidwoord van het naamwoordelijk deel behouden.

  • C’est un problème. → Ce n’est pas un problème.
  • C’est une lampe. → Ce n’est pas une lampe.
  • Ce sont des jouets. → Ce ne sont pas des jouets.

Il y a

Bij il n’y a pas verandert un, une, des, du, de la, de l’ in de/d’.

  • Il y a un message. → Il n’y a pas de message.
  • Il y a une erreur. → Il n’y a pas d’erreur.
  • Il y a des places. → Il n’y a pas de places.

Bepaalde en bezittelijke woorden blijven behouden wanneer ze deel uitmaken van de zin:

  • Il n’y a pas le nom du professeur sur cette liste.
  • Il n’y a pas mes clés dans ce tiroir.

Wat kun je hier oefenen?

  • Kies c’est, ce sont of il y a
  • Kies c’est of ce sont
  • Maak de zin ontkennend
  • Bouw een zin bij de situatie

Verder kijken

Bekijk de andere onderwerpen in deze categorie