Werkwoorden
Aller en faire
Wat leer je hier?
beide frequente werkwoorden gebruiken
Uitleg
Afbakening
Deze reeks behandelt:
- de vervoeging van aller en faire in het présent;
- aller om een verplaatsing uit te drukken;
- faire in eenvoudige activiteiten en uitdrukkingen;
- bevestigende en ontkennende zinnen.
Aller + infinitief als futur proche komt later afzonderlijk aan bod.
Vormkaart
| Onderwerp | Aller | Faire |
|---|---|---|
| je | vais | fais |
| tu | vas | fais |
| il / elle / on | va | fait |
| nous | allons | faisons |
| vous | allez | faites |
| ils / elles | vont | font |
Let vooral op: vous faites, ils font en ils vont.
Wat kun je hier oefenen?
- Vul de persoonsvorm in
- Kies het passende werkwoord
- Verbeter alleen het werkwoord
- Bouw een ontkennende zin