Werkwoorden
Être en avoir
Wat leer je hier?
beide werkwoorden bevestigend en ontkennend vervoegen
Uitleg
Afbakening
Deze reeks behandelt:
- de vervoeging van être en avoir in het présent;
- être voor onder meer een beschrijving of plaats;
- avoir voor onder meer bezit, leeftijd en de uitdrukkingen avoir faim, soif, chaud, froid;
- bevestigende en ontkennende zinnen.
Het gebruik als hulpwerkwoord bij de passé composé komt later afzonderlijk aan bod.
Vormkaart
| Onderwerp | Être | Avoir |
|---|---|---|
| je | suis | j’ai |
| tu | es | as |
| il / elle / on | est | a |
| nous | sommes | avons |
| vous | êtes | avez |
| ils / elles | sont | ont |
Betekenishulp
| Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|
| Een beschrijving | Elle est contente. |
| Een plaats | Nous sommes à l’école. |
| Bezit of iets beschikbaar hebben | Tu as un vélo. |
| Leeftijd | J’ai douze ans. |
| Honger of dorst | Ils ont faim. / Elles ont soif. |
| Het warm of koud hebben | Vous avez chaud. / Nous avons froid. |
Let op: J’ai froid betekent “Ik heb het koud”. L’eau est froide beschrijft de temperatuur van het water.
Woordhulp: une calculatrice = een rekenmachine; le chemin = de weg; une règle = een liniaal; un gardien = een bewaker; une entrée = een ingang. Adjectieven zoals prêts, content en fiers zijn al gegeven: hun overeenkomst wordt hier niet gevraagd. De vormkaart en woordhulp blijven beschikbaar. De antwoorden verschijnen pas bij de correctie.
Wat kun je hier oefenen?
- Vul de juiste persoonsvorm in
- Kies het passende werkwoord
- Verbeter alleen het werkwoord
- Bouw een ontkennende zin