Naamwoorden en lidwoorden

Lidwoorden in ontkennende zinnen

Wat leer je hier?

de of d’ gebruiken waar de ontkenning dat vereist

Dit helpt vooraf

Dit helpt vooraf

Uitleg

Deze bank sluit rechtstreeks aan op ne…pas. De opgaven met partitieve lidwoorden worden gebruikt zodra die aangeleerd zijn.

Doel: ontkennend antwoorden of een zin ontkennend maken, met het passende lidwoord.

De opgaven oefenen herhaaldelijk de doelregels met verschillende boodschappen. De situaties wisselen tussen school, thuis, eten, vrije tijd en onderweg. De antwoorden zijn opgenomen voor controle; leerlingen zien ze pas na hun poging.

Regelkaart

Bij een gewone ontkenning met ne…pas:

  • un, une, des, du, de la, de l’ → de/d’;
  • de → d’ voor een klinker of een doffe h;
  • le, la, l’, les blijven staan;
  • bij être blijft het lidwoord staan.

J’ai un vélo. → Je n’ai pas de vélo.
Je parle le français. → Je ne parle pas le français.
C’est une école. → Ce n’est pas une école.

Deze bank oefent gewone ontkenningen zonder tegenstelling. Vervoegde werkwoorden worden gegeven: nieuwe vervoegingen vormen geen bijkomende opdracht.

Aanvullende woordhulp: les informations = het nieuws; les voisins = de buren; un cadeau = een geschenk; les clés = de sleutels; avant le repas = voor de maaltijd; aujourd’hui = vandaag; pendant les vacances = tijdens de vakantie; les céréales = de ontbijtgranen; le bol = de kom; les étoiles = de sterren; la feuille = het blad; le sucre = de suiker; le thé = de thee; les enfants = de kinderen; le jardin = de tuin; la bouteille = de fles; un anniversaire = een verjaardag; la confiture = de confituur; une tartine = een boterham; pour monter = om naar boven te gaan; le poisson = de vis; une horloge = een klok, met doffe h; une histoire = een verhaal, met doffe h; Nous connaissons le chemin jusqu’à la gare = We kennen de weg tot aan het station.

Woordhulp bij de herkenningssituaties: la neige = de sneeuw; le toit = het dak; l’encre = de inkt; la main = de hand; le coton = het katoen; le coussin = het kussen.

Vaste werkwoordhulp: utiliser = gebruiken; préparer = klaarmaken; raconter = vertellen; boire = drinken; visiter = bezoeken; avoir = hebben; manger = eten; écouter = luisteren naar; chercher = zoeken; porter = dragen; lire = lezen; prendre = nemen; ajouter = toevoegen; acheter = kopen; apporter = meebrengen; poser une question = een vraag stellen; mettre = zetten/doen. Deze werkwoorden zijn vervoegd gegeven, niet zelf te vervoegen.

Wat kun je hier oefenen?

  • Reeks 1 — Kies wat past
  • Reeks 2 — Vul het antwoord aan
  • Reeks 3 — Verbeter het lidwoord
  • Reeks 4 — Schrijf de volledige ontkennende zin

Verder kijken